Pagina's

donderdag 20 juni 2013




Wel, het is iets anders gegaan. Ik wilde zelf niet zozeer ontsnappen aan een zekere natuurbeleving welke ik als ‘geconditioneerd ‘ had getypeerd.

Met het geconditioneerde bedoelde ik meer het vanzelfsprekende dat uitgaat van een horizontaal geplaatst doek op de ezel. Plaats ik een doek verticaal dan is dat eerder spiritueel en indien horizontaal dan is dat eerder aards. Puur de stand van het rechthoekige doek.

De geschilderde vormen die ik herhalend toepaste ( in de eerdere schilderijen ) probeerde ik zo horizontaal mogelijk aan te brengen ( zeg maar waterpas ). Voorafgaande aan het verticale doek had ik vijf horizontale werken gemaakt. Om het herhalende, eentonige of vanzelfsprekende, te doorbreken wilde ik dat zesde doek verticaal. De beleving van een zekere smalte maakte dat ik anders  ging kijken/denken/handelen.

Het ging mij ook niet zo nodig om te komen tot een ander perspectief. In de zin van verdwijnpunten. Het herhalende, van de vormen, in een breed doek, geeft mij meer ruimte, ook meer speelruimte. Door die ‘ beperkende ‘ smalte moest ik wel tot een ander soort ritme komen. Dat heeft ook te maken met de snelheid van het aanbrengen. Steeds in een keer, over de gehele breedte. In een smal doek werkt dat voor mij anders uit. Waar nog bij komt dat ‘ de boomstammen ‘, voor mij aanvankelijk een nogal dwingende plaats innamen. In dit doek werkte ik vanuit het midden naar boven toe ( en ook van links naar rechts ) en vervolgens vanuit datzelfde midden naar beneden.  Door deze manier van werken resulteerde dat in een ander perspectief, tijdens dat maken. Dus niet zozeer een van te voren bedachte andere wijze van schilderen maar door het proces tot die conclusie komen.
Het ‘ perspectief ‘ zit ook niet zozeer in het doek. Door het doek, wanneer ik sta, iets boven mijn ooghoogte ophang en ik zelf in een tamelijk lage stoel ga zitten, is mijn opwaarts gerichte blik een omhoog kijken. Dan beleef ik dat andere perspectief.
 
 
Het is zeker waar dat de waarneming ( achteraf ) van  een landschap of het nu een verticaal of horizontaal doek is nagenoeg hetzelfde is. Maar wat er in het geval van de schilder ( ik dus ) bijkomt is dat innerlijke stukje van ‘ een weten ‘ juist bij dit schilderij, waardoor het gelukzalig genieten van iets wat ik heb laten ontstaan door het proces iets is wat uitsluitend bij de schilder zelf is. Het mezelf verbaasd doen staan. En vinden dat het gelukt is. Dat gelukt zijn hangt wel in heel belangrijke mate samen met de keuze en samenstelling van de kleuren. Die hebben wel een aanzienlijke invloed op mijn plezierige beleving.





Je kunt positief of negatief kijken, maar ook het geheel. Daar waar je in de voorstelling niets herkent. Indien je scheel kijkt naar de tweedimensionale voorstelling van de vaas, dan kun je beide tegelijkertijd zien zowel positief en negatief. Of dat ‘ normaal ‘ kijken betreft, is iets anders.
De betekenis van illusie in het geval van Rubin, lijkt mij gegrond op een vorm van
‘ gezichtsbedrog ‘. Maar is het eigenlijk niet ‘ trompe l’oeil ‘. Een vergissing van het oog, in de zin van ‘ niet goed kijken ‘.
Misschien is dus zoals ik naar mijn schilderij kijk wel heel anders omdat ik ook het gehele proces als het ware zie. De beschouwer kent alleen het eindresultaat en kijkt en ervaart het mogelijk daardoor anders.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen